Albums

St.-Elisabethkerk

Jerusalemkroon dagkapel st.-Elisabethkerk
‘Dominus Lux mea est’ 2.0
 
Een voordeel van internet
blijkt de ruimte tot interactie en openlijke reflectie.
In deze geest
volgt hier namens schrijver Rob Stalenhoef
een tweede versie van wat hij 23 april
als een van de eerste artikelen
op onze vernieuwde website inbracht.
 
‘Dominus Lux mea est’
zijn de kernwoorden bij de bespiegeling over
de kaarsenkroon in de Mariakapel van de st.-Elisabethkerk te Grave.
Voorheen diende deze kroon als godslamp
in de eertijds afgebroken kapel van de Wijnberg.
(De historische gegevens hierover laat ik over aan de kenner,
 ik beperk me tot het iconografische gedeelte. )
Helaas ontsiert aangebrachte elektrische installatie deze luchter.
 
Dominus lux mea est – de Heer is mijn licht.’
Deze tekst is (uit zijn verband gelicht ) genomen uit de profeet Micha 7 : 8,
en staat vermeld op de gewelfde rand van de kroon.
Ze is de sleutel tot het begrijpen van de kaarsenkroon.
Dit betreft niet haar vroegere functie als godslamp.
 
De kroon is namelijk
een zogenaamde “Jeruzalemkroon” of  “Jeruzalemluchter”.
Gegevens over de Jeruzalemkroon
vond ik in een referaat van Mevrouw Aartje Bos-Roskam
betreffende de kroon uit de Walburgiskerk te Zutphen.
Reeds rond het jaar 1000 is er sprake van een Jeruzalemkroon
in de Dom van Hildesheim (Duitsland)
De symboliek van de kroon verwijst naar het Hemels Jeruzalem
en zodoende kregen dergelijke kronen een prominente plaats in de kerk,
bij voorkeur bij het hoofdaltaar.
Na de Reformatie in 1517 kregen ze vaak een plaats in een grafkapel.
 
De onderrand van de kroon
met haar twaalf welvingen en de tekst “Dominus lux mea est”
stelt de stadsmuur van Jeruzalem voor.
In de muur zijn zes kandelabers en zes poorttorens afgebeeld.
Deze twaalf elementen op de twaalf welvingen
verwijzen naar de twaalf stadspoorten van Jeruzalem,
zoals beschreven in de Apocalyps van Johannes (hoofdstuk 21:12).
Drie van de poorten zijn bekroond met een spits.
We mogen hierin (hoe vreemd het ons vandaag de dag ook  in de oren klinkt)
een verwijzing zien naar de  Heilige Drie-eenheid.
 
Deze opvatting wordt gestaafd door de afbeeldingen op de torentjes:
 
In deze afbeelding mogen we een verwijzing zien naar God de Vader.
Deze wordt vaak afgebeeld als een bebaarde oude man
(vergelijk Michelangelo in de Sixtijnse kapel)
Overigens laat God zich niet in beelden “vangen.”
Een Christusfiguur wijzend op een boek dat Hij in handen heeft:
Christus het Eeuwige Woord van de Vader.
Een profetenfiguur.
Deze moge verwijzen naar de Heilige Geest
van Wie we in het Credo belijden:
‘Qui locutus est per prophetas’ – 
‘Die gesproken heeft door de profeten’.
De drie overige figuren op de andere torentjes
zijn onbekende heiligenfiguren.
 
Het boek Apocalyps schrijft over het Hemels Jeruzalem als volgt:
Er zal geen nacht meer zijn
 en zij hebben geen licht van een lamp of van de zon van node,
 want God zelf is haar licht.” (Apoc.22:5)
 
Als wij bidden voor onze dierbare overledenen
Het Eeuwig Licht verlichte hen
volgen wij het gedachtengoed van de profeet Micha
met zijn hoopvolle geloofsbelijdenis:
 
De Heer is mijn Licht’
  
Grave, 13 juni 2016,  Rob Stalenhoef